De vraag is de weg

Mijn visie op de wereld en de samenleving is een optimistische. Ondanks alles wat ons pessimistisch kan maken, blijven mensen altijd werken aan verbetering. Ik ervaar dat persoonlijk ook als een opdracht: zorgen dat je bestaan ertoe doet, je best doen om de wereld een heel klein beetje beter te maken. Daarbij staat het zoeken naar antwoorden op je vragen centraal.

Het verhaal wil dat de moeder van Einstein aan hem vroeg als hij thuiskwam uit school: “En, heb je vandaag nog een goede vraag gesteld?” in plaats van “Wat heb je vandaag geleerd?”. Kinderen zijn van aard nieuwsgierig en wij hebben de taak deze nieuwsgierigheid in stand te houden en te stimuleren. Kinderen moeten hun vragen kunnen stellen, en ze moeten ze kunnen stellen aan ons, aan mensen die hun vragen ruimte geven en die hen begeleiden op de weg naar het antwoord. Soms is dat antwoord concreet en eenvoudig, maar vaker is het ingewikkeld en behoeft het uitleg, en heel vaak bestaat het antwoord nog niet, omdat het kind op zoek is naar iets nieuws. Bij de verschillende soorten vragen passen verschillende vormen van begeleiden. En dat is dan de vraag voor ons: welke begeleiding past wanneer? Bij deze vraag help ik u graag.

De allermoeilijkste vraag…

 In een gewone straat in een gewone stad woonde een jongetje. Het jongetje was zes jaar. Het dacht veel na; er kwamen altijd vragen in hem op. Vlak bij hem in de straat woonde een oude man, naar wie hij graag en veel toe ging: de man, die hij opa Buurman noemde, kon hem altijd antwoord geven op zijn vragen. Dat is fijn voor een kind. Zo veel vragen, zo veel denken, en dan altijd een antwoord kunnen vinden.

 Kleine jongetjes worden groter…

Toen de jongen een jaar of twaalf was, begon het hem te ergeren dat opa Buurman altijd maar weer een antwoord wist. Eigenlijk kon dat toch niet; het moest toch mogelijk zijn dat er vragen bestonden waar  volwassenen géén antwoord op wisten. Hij dacht diep na en besloot een vraag te bedenken waar zelfs opa Buurman geen antwoord op wist.
Na lang denken kwam hij op een vraag, waar opa beslist het verkeerde antwoord op zou geven. Hij zou een klein vogeltje vangen, dat tussen zijn handen nemen en ermee naar opa gaan. Dan zou hij zeggen: “Opa, ik heb een vraag. Ik heb een vogeltje gevangen en ik heb het in mijn handen. Is dat vogeltje dood of leeft het?” Als opa dan zou zeggen: “Het is dood”, dan zou hij zijn handen openen en het vogeltje laten vliegen. Als opa zou zeggen: “Het leeft”, dan zou hij snel zijn handen hard tegen elkaar drukken en dan was het dood… Opa zou dan dus nooit het goede antwoord kunnen geven!

Zo bedacht, zo gedaan. Hij ving een klein vogeltje, nam het tussen zijn handen en ging ermee naar opa Buurman. “Dag opa, ik wil u iets vragen! Het is wel een heel moeilijke vraag!” Opa glimlachte, want zo begonnen de vragen van de jongen wel vaker. “Opa, ik heb een vogeltje gevangen en ik heb het hier in mijn handen. Is het vogeltje dood of leeft het?” Toen het antwoord van opa langer uitbleef dan anders, ging zijn hart sneller kloppen en hij voelde kriebels in zijn buik… Het ging lukken! Na lang nadenken nam opa het woord en zei: “Jongen, of het vogeltje dood is of leeft, dat heb jij zelf in de hand!”

En uiteraard geldt dit niet alleen voor kinderen. Mensen hebben anderen nodig om hen te helpen zoeken.